Weerstanden in serie en parallel berekenen

Bereken de vervangingsweerstand van weerstanden in serie of parallel. Vul de waarden in (0 = niet gebruikt) en kies de schakeling.

Rekenmachine

Ω
Ω
Ω
Ω
Aantal weerstanden2
Schakelingparallel
Totale weerstand688 Ω

De vervangingsweerstand van 2 weerstanden parallel is 688 Ω.

Wanneer je weerstanden combineert, hangt de totale (vervangings)weerstand af van de schakeling. In serie staan ze achter elkaar: de stroom doorloopt ze één voor één en de spanningen tellen op, dus de weerstanden tellen gewoon op. Parallel staan ze naast elkaar tussen dezelfde twee knooppunten: de stroom verdeelt zich, en de totale weerstand is altijd kleiner dan de kleinste afzonderlijke weerstand.

Deze tool rekent tot vier weerstanden door. Dat is genoeg voor de meeste praktijkgevallen: een gewenste waarde nabootsen die je niet in huis hebt, een spanningsdeler ontwerpen, of de belasting van een voeding berekenen. Laat ongebruikte velden op 0 staan. Alles is pure rekenkunde — vaste natuurkunde, geen onderhoud.

Wanneer gebruik je wat?

Serie gebruik je om weerstand op te bouwen of spanning te verdelen; parallel om weerstand te verlagen of het vermogen over meer componenten te spreiden. Twee gelijke weerstanden parallel geven exact de helft; n gelijke weerstanden parallel geven R/n.

De formule

Serie    : Rtot = R1 + R2 + R3 + …\nParallel : 1/Rtot = 1/R1 + 1/R2 + …  →  Rtot = 1 / Σ(1/Ri)
  • Serie — weerstanden tellen op
  • Parallel — geleidingen (1/R) tellen op

Voor twee weerstanden parallel geldt de handige vorm Rtot = (R1·R2)/(R1+R2).

Uitgewerkt voorbeeld

Serie: 1 kΩ + 2,2 kΩ = 3,2 kΩ.

Parallel: 1 kΩ ∥ 2,2 kΩ = (1000 · 2200)/(1000 + 2200) = 2 200 000 / 3200 = 687,5 Ω. Merk op: de uitkomst is kleiner dan de kleinste weerstand (1 kΩ), zoals het hoort bij parallelschakeling.

Het « waarom » & de praktijk

Een veelgebruikte truc: heb je een ongebruikelijke waarde nodig, dan benader je die door standaardwaarden uit de E-reeks in serie of parallel te zetten. Twee 1 kΩ-weerstanden parallel geven 500 Ω; een 1 kΩ en 2,2 kΩ in serie geven 3,2 kΩ. Let bij parallelschakeling op de vermogensverdeling: de kleinste weerstand neemt de meeste stroom — en dus het meeste vermogen — voor zijn rekening.

Bij parallelschakeling van weerstanden met verschillende waarden domineert de kleinste: een 10 Ω parallel aan een 10 kΩ ligt vrijwel op 10 Ω. Wil je de spanning op een punt instellen in plaats van de weerstand, kijk dan naar de spanningsdeler.

Veelgestelde vragen

Hoe bereken ik weerstanden parallel?
Tel de omgekeerde waarden op en neem daarvan de omgekeerde: 1/Rtot = 1/R1 + 1/R2 + … Voor twee weerstanden kun je ook Rtot = (R1·R2)/(R1+R2) gebruiken.
Is de parallelweerstand altijd kleiner?
Ja. De totale weerstand van een parallelschakeling is altijd kleiner dan de kleinste afzonderlijke weerstand, omdat je meer paden voor de stroom toevoegt.
Hoe maak ik een waarde die ik niet heb?
Combineer standaardwaarden. Twee gelijke weerstanden parallel halveren de waarde; in serie tellen ze op. Zo bouw je veel tussenwaarden uit E12/E24-weerstanden.
Verdeelt het vermogen zich gelijk?
Niet noodzakelijk. In serie krijgt de grootste weerstand het meeste vermogen (P = I²·R), parallel juist de kleinste (P = U²/R). Controleer altijd de belastbaarheid.