Serie-RLC-impedantie, fase en Q berekenen

Bereken de impedantie van een serie-RLC-kring bij een gekozen frequentie, plus de reactanties, de fase, de resonantiefrequentie en de Q-factor.

Rekenmachine

Hz
Ω
mH
Waarde in millihenry
nF
Waarde in nanofarad
Impedantie |Z|1,53 kΩ
Inductieve reactantie XL62,8 Ω
Capacitieve reactantie XC1,59 kΩ
Faseverschuiving φ-86,3 °
Resonantiefrequentie f₀5,03 kHz
Kwaliteitsfactor Q3,16

Bij 1,00 kHz is de impedantie 1,53 kΩ, de fase -86,3° — de kring is capacitief (XC > XL). Resonantie ligt op 5,03 kHz (Q = 3,16).

In een serie-RLC-kring staan een weerstand, een spoel en een condensator achter elkaar. Hun gezamenlijke tegenwerking tegen wisselstroom heet de impedantie Z. Anders dan een gewone weerstand is de impedantie frequentie-afhankelijk: de spoel werkt sterker tegen bij hoge frequenties (XL = 2πfL), de condensator juist bij lage (XC = 1/(2πfC)). De weerstand R is frequentie-onafhankelijk.

Omdat de spanning over de spoel 90° vóór en die over de condensator 90° achter de stroom loopt, tellen XL en XC niet gewoon op maar werken ze elkaar tegen. De modulus van de impedantie is daarom |Z| = √(R² + (XL − XC)²) en de faseverschuiving φ = atan((XL − XC)/R). Deze calculator rekent bij een gekozen frequentie de impedantie, beide reactanties, de fase, de resonantiefrequentie f₀ en de kwaliteitsfactor Q uit.

Wat de uitkomst je vertelt

  • φ positief: XL overheerst — de kring is inductief, de stroom loopt achter op de spanning.
  • φ negatief: XC overheerst — de kring is capacitief, de stroom loopt vóór.
  • φ ≈ 0: je zit op of dicht bij de resonantiefrequentie; XL en XC heffen elkaar op en |Z| zakt tot R.

De formule

XL = 2π · f · L\nXC = 1 / (2π · f · C)\n|Z| = √( R² + (XL − XC)² )\nφ  = atan( (XL − XC) / R )       (graden)\nf₀ = 1 / (2π · √(L·C))\nQ  = (1/R) · √(L/C)
  • Z — impedantie (Ω)
  • XL, XC — reactanties (Ω)
  • φ — fasehoek (°)
  • f₀ — resonantie (Hz)
  • Q — kwaliteitsfactor

Bij resonantie (f = f₀) geldt XL = XC, dus |Z| = R (minimaal) en φ = 0. Daar voert de seriekring de grootste stroom.

Uitgewerkt voorbeeld

f = 1 kHz, R = 100 Ω, L = 10 mH, C = 100 nF.

XL = 2π · 1000 · 0,01 ≈ 62,8 Ω; XC = 1/(2π · 1000 · 100·10⁻⁹) ≈ 1592 Ω. XC overheerst ruim, dus |Z| = √(100² + (62,8 − 1592)²) ≈ 1532 Ω en de fase is sterk negatief (capacitief). De resonantie ligt op f₀ = 1/(2π·√(0,01·10⁻⁷)) ≈ 5,03 kHz: ruim boven de werkfrequentie, wat verklaart waarom de kring hier capacitief is.

Het « waarom » & de praktijk

De kwaliteitsfactor Q geeft aan hoe scherp de resonantie is. Q = (1/R)·√(L/C): een lagere serieweerstand of een hogere L/C-verhouding maakt de piek smaller en hoger. Een hoge Q is gewenst in afstemkringen (selectief één frequentie pakken), een lage Q in breedbandige of gedempte toepassingen. De bandbreedte rond resonantie is bij benadering f₀/Q.

Op de resonantiefrequentie f₀ heffen XL en XC elkaar exact op en zakt de impedantie van een seriekring tot enkel R — daar loopt de grootste stroom. Bereken die frequentie ook los met de LC-resonantie-tool. De afzonderlijke reactanties op een gegeven frequentie vind je via de capacitieve en inductieve reactantie. Voor een eenvoudig eerste-orde filter zonder spoel volstaat vaak de RC-afsnijfrequentie.

Veelgestelde vragen

Hoe bereken ik de impedantie van een serie-RLC-kring?
Met |Z| = √(R² + (XL − XC)²), waarbij XL = 2πfL en XC = 1/(2πfC). De reactanties werken elkaar tegen omdat spoel en condensator de stroom tegengesteld in fase verschuiven.
Wat betekent de faseverschuiving?
Een positieve fase betekent dat de kring inductief is (stroom loopt achter), een negatieve dat hij capacitief is (stroom loopt voor). Bij φ = 0 zit je op resonantie en is de kring zuiver resistief.
Wanneer is de impedantie minimaal?
Op de resonantiefrequentie f₀ = 1/(2π√(LC)). Daar geldt XL = XC, ze heffen elkaar op en |Z| zakt tot de weerstand R. In een seriekring loopt dan de maximale stroom.
Wat zegt de Q-factor?
Q = (1/R)·√(L/C) drukt uit hoe scherp de resonantie is. Hoge Q geeft een smalle, selectieve piek; lage Q een brede, gedempte respons. De bandbreedte is ongeveer f₀/Q.
Waarom tel ik XL en XC niet gewoon op?
Omdat ze 180° uit fase zijn ten opzichte van elkaar: de spanning over de spoel ijlt 90° voor, die over de condensator 90° na de stroom. Daarom telt het verschil (XL − XC), niet de som.